Home icon Home»Kollumns»Ollie Peilkens Serie 1»

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 33

Follow us on Twitter

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 33

Aflevering 33 – waarin het echte leven helaas begint

Had ik al verteld dat ik ook een ernstige kant heb? Nee? Mooi, dat gaat ook niet gebeuren, al is die kant er wel. Dat bleek onder andere toen de noodzaak arriveerde op mezelf te gaan wonen. Ik slaagde summa cum laude voor de Proza Academie, met een werkstuk getiteld: “ Waarom één wiel te weinig en drie wielen teveel is.” Deze – ik citeer mezelf – elegante verhandeling over het zoeken naar een middenweg tussen een circusfiets en een Reliant kan als een technisch essay gelezen worden, maar de structurele gelaagdheid van het betoog geeft de filosofische diepgang die het boven een elementaire notitie verheft en de lezer verrast met een ontdekkingsreis in het eigen leven en de daarin te maken keuzes.” Einde citaat. Het verhaal werd integraal in een landelijk dagblad gepubliceerd en één lezer – de altijd alerte briefschrijver Dr. Victor Aanstoot- reageerde compact met de observatie: “Wat een ongelooflijk lulverhaal!” ...
Karel_Hubert

Ik kon hem – gezien het feit dat ik het opstel in één avond had geschreven omdat ik teveel tijd kwijt was aan rokkenjagen en penetratiepogingen – geen ongelijk geven. Maar de publicatie opende de deur van het redactielokaal van het solide tijdschrift De DHZ-Koerier voor me. Ik kon een half jaar later – zo werd beloofd - in Haarlem aan de slag (er moest eerst nog een ouder redactielid dood) en omdat ik geen zin meer had in het samenwonen met een moeder die een dusdanig hechte relatie met ene Alzheimer was gaan aanknopen dat er voor andere mannen geen plaats meer was, moest ik maar eens het huis uit.

Ooit in de Bijlmer geweest toen die socialistische heilswijk nog in aanbouw was? Mijn grootste angst was – toen ik er ging kijken – dat reuzenbijen ooit die betonnen honingraten zouden volpompen met dikke honing. Maar de appartementen waren enorm en volop te huur, als je tenminste kon aantonen dat je hem elke avond in dezelfde medemens stak: je moest getrouwd zijn. Een kleine kwestie als het om zelfstandig wonen ging en Pieternel dacht er net zo over: ik had haar leren kennen als vriendinnetje van Jan, die echter al snel zo door haar moeder achterna werd gezeten dat vluchten noodzakelijk werd.

Het was in een paar weken gebeurd. Getrouwd, begonnen met zielknijperij te studeren, baan beloofd bij De DHZ-Koerier en verhuisd. De Triumph ging mee, zielig in een box staand. Mijn box was de enige waar iets normaals in stond, want de overige bewoners in die anarchistische begintijd van het Nieuwe Wonen gebruikten de inpandige schuurtjes als opslagplaatsen voor narcotica, slaapkamers voor clandestien binnengeslopen familieleden, peeskamertjes voor minderjarigen en fabrieksruimte voor een jeneverstokerijtje. De flats werden bevolkt door studenten, tuig, oplichters, gekken en mensen die abusievelijk in Nederland waren geland. De overeenkomst was dat niemand geld had, niemand enig moreel besef bezat en iedereen meende dat de overal liggende bouwmaterialen daar neergelegd waren om gratis opgehaald te worden. De bouwers hadden de ene dag 200 hardhouten deuren en de andere dag nog drie exemplaren. De rest was opgehaald, naar de appartementen vervoerd en vertimmerd tot eettafels voor op het balkon. De opzichters haalden de schouders op: dit was een woonexperiment, nietwaar? Pas toen er twee liften werden ontvreemd, werden er hekken om de spullen heen geplaatst. De volgende dag waren de hekken gestolen. In tal van flats kon je ze terugvinden, ook al op de balkons, om de ook gestolen klimop houvast te geven.

Aan motorrijden kwam ik nauwelijks meer toe, zeg! Want er was nóg iets bijzonders aan de Beginnende Bijlmer. Elk gebouw was van een zogenoemde collectieve ruimte voorzien, met de gedachte dat de bewoners daar zelf wel iets lolligs van zouden maken. En dus had de Bijlmer tientallen clandestiene kroegen, casino’s en bordelen, soepel gesubsidieerd door de woningbouwverenigingen. In mijn CR (zo heette dat, echt) kon je elke avond dronken worden en drie buurvrouwen vegen voor zo’n rijksdaalder all-in. Ik was dan wel in een ernstige fase van mijn leven aangekomen, maar zulke buitenkansjes liet ik me niet ontnemen. Dat ik getrouwd was, deed niet ter zake. Dat waren die buurvrouwen ook.