Home icon Home»Kollumns»Ollie Peilkens Serie 1»

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 31

Follow us on Twitter

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 31

Aflevering 31 – waarin Inge helemaal niet veroverd wordt.

Ik had 9.000 kilometer in het zadel gezeten en ik had wat voor thuis moest doorgaan geen meter gemist. De neiging om meteen door te rijden naar Scandinavië of Peru was groot. Want wat ik ontdekt had in al mijn jeugdige schuld, was dat een motorfiets iets deed ontwaken dat moeilijk met iets anders te vergelijken was. Jaja, ik ken al dat gefoezel over orgasmes, stijve onderdelen en geilheid, maar met motorrijden had dat niets van doen. Ik moest aan het versmelten met Elisabet denken: dat kwam in de buurt, een soort kernfusie die niet voor pieken in het genot zorgt, maar voor een permanente staat van knuffelige opwinding. U begrijpt uit deze woorden zeker wel dat ik nog een jaartje Proza Academie voor de boeg had en mij wenste te ontwikkelen tot een lyrische commentator van het alledaagse leven. U begrijpt uit die woorden vermoedelijk ook wel dat ik na Roemenië wel veel gereden, maar niemand bereden had. Daar moest verandering in komen.
Karel_Hubert
Mijn moeder – wazig als een beslagen bril – had wel een vermoeden dat ik een tijdje weggeweest was, maar hoe lang en waarheen (dank, Mieke Telkamp!) ontging haar nogal. “Wat zeg je nou, jongen”, zei ze toen ik modderig en wel en nog in het beduimelde motorpak gestoken had uitgelegd waar ik zoal gereden had. “Roemenië? Had je niet beter kunnen gaan vliegen? Het is toch een heel eind op de brommer.” Ik besloot nadere uitleg ver op te schorten, ging douchen en repte me na een snel opgegeten biefstuk met aardappeltjes (die mams voor zichzelf had gemaakt, maar ik kon ook heel goed wazig zijn) naar de kroeg om met Gerhard, Jan en Peter aan het bier te gaan.

“Dit is Inge”, zei Jan, nadat hij me begroet had met “Zo ouwe rukker, weergekeerd uit het hiernamaals?” Hij stelde me voor aan een goedlachse, wat boertige dame in een verpleegsterstenue. “Ben je zo ziekelijk dat je permanente zorg nodig hebt?”, gaf ik terug. Ik moest zelf aan Inge uitleggen dat ik net een wereldreis van Easy Rider-allure had gemaakt, omdat mijn vrienden dat irrelevante informatie vonden. Maar Inge kreeg een blos, Inge’s uniformpje leek wat strakker te gaan zitten en uit Inge’s mond rolde de beste zin van die avond. “Op de motorfiets? Ik ben helemaal gek van motorfietsen. Mag ik eens achterop?” Dag Jan.

Inge woonde in een verpleegstershuis een eindje buiten de stad, in de buurt van een ziekenhuis. Nou ja, het was eigenlijk een gekkenhuis, of zoals Inge het zei een onderkomen voor mensen die ze niet allemaal op een rijtje hebben. Nou, toen ik haar de volgende dag kwam ophalen, bleek dat een understatement. Om dingen op een rijtje te krijgen moet je er toch minstens twee hebben. En de kwijlende krijsers die daar rondliepen, hadden hooguit één ding: het vermogen om alles te besmeuren met overal uitkomende lichaamssappen. Als Darwin dit gezien had, had hij genoteerd dat de aap van de mens afstamt. En als Darwin Inge had gezien bij het achterop stappen, had hij een beroerte gekregen. Of ontdekt dat bij acute nood zelfbevrediging een probaat blusmiddel was. Ze had een veel te kort rokje aan, schoenen met flukse hakken en een truitje dat voor een meisje van 11 bedoeld was en bij Inge op een soort verpakking voor zuidvruchten leek. Godsamme! Wat een pech dat ze achter me zat en niet voor me, want zo zag ik geen mieter van al dat moois.

Ik maakte een zoet tochtje met haar en bracht haar uren later thuis. Toen ik haar wilde zoenen, deinsde ze achteruit. “Heb ik je niet verteld van Maarten?”, zei ze. “Dat is mijn superliefde. Hij is twee jaar geleden naar Nepal vertrokken om zijn geest te laten rijpen. Over tien jaar komt hij terug en ik heb beloofd op hem te wachten.” En ze wierp me een kushandje toe en wandelde weg, mij met een duivelse kramp in de claxon achterlatend. Lekker als je nog op de motor moet stappen.