Home iconHome»Kollumns»Ollie Peilkens Serie 1»

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 16

Follow us on Twitter

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 16

Aflevering 16 – waarin de tocht alleen maar vervolgd wordt

Ik had met Gerhard heel wat afgefilosofeerd over de diepere zin van het bestaan in het algemeen en van sex in het bijzonder. We waren het er beiden over eens dat de zin ontbrak. “Een bij doet nog wat nuttigs. Die bestuift blommekes”, zei Gerhard, “Maar wij mensenkinderen, wij kloten maar wat aan.” Ik was het uiteraard met hem eens, maar vond wel dat “het ontbreken van zingeving ons de verplichting oplegde voortdurend naar pieken in het landschap van onze emoties te zoeken”. U leest het, de Proza Academie had mij al veel goeds gebracht. Het motorrijwiel was – zo meende ik – een betrouwbaar instrument bij het vinden van voornoemde pieken.

Karel_Hubert

Maar om nou te zeggen dat elke kilometer extatische gevoelens bracht, neen. Ik had besloten om van Beaune naar Marseille te rijden, omdat ik smakelijke verhalen had gehoord over de plaatselijke vissoep. Bovendien had ik na twee nachten in mijn sextent en een pak rammel van de campingbeheerder vooral behoefte aan kalmte. Een ontspannen ritje naar de Zuidfranse kust was precies wat ik nodig had.

Had ik al verteld dat ik een tweede helmpje bij mij had? Nee? Ik had een tweede, kleiner helmpje aan de beugel gebonden, voor het geval er een typetje stond te liften. Dat zo’n meiske vermoedelijk ook een koffer bij zich zou hebben, bedacht ik pas toen ik 150 kilometer bezuiden Baune de eerste deerne met opgestoken duim langs de weg zag staan. Een klein rugzakje zou nog wel passen, maar dit kind had een soort container naast zich geparkeerd waar vermoedelijk haar familie en de meubels in zaten. Ik reed dus door. Maar dertig kilometer verder zat aan de duim een vrouw vast die slechts een kleine knapzak bleek mee te torsen. Ik stopte en vroeg waar ze heen wilde. “Nice”, zei ze. En ik dacht, ach, laat Marseille ook maar. “Nice!”, zei ik,, “Ook toevallig, daar ga ik net heen!” De bagage kon aan de beugel, zij kon tussen mijn rug en mijn plunjezak, een positie die veel weg bleek te hebben van een plaats in een tosti-ijzer. Maar ze zeurde niet en loodste mij naar een adres in Nice. Toen we arriveerden, stormde een heel gezelschap het huis uit en begon haar te omhelzen en te kussen. Haar familie, dacht ik. Maar toen een stevig gebouwde jongeman haar een minuut lang stond te tongen, wist ik beter: zijn familie.

Ik kreeg een slaapplaats op zolder aangeboden, moest mee eten, liters rode wijn drinken en cognacjes toenemen om een goede nachtrust te garanderen. Ik haalde de zolder net.

De volgende ochtend werd ik wakker met een knallende koppijn en het vreemde gevoel dat er ’s nachts iets gebeurd was wat ik niet echt gewild had. Bij het ontbijt wierp de oma van de – grote - familie mij een paar kushandjes toe en ik begon het ergste te vrezen. Ik werkte wat eieren en andere herstellingsmiddelen naar binnen, repte mij naar boven om mijn biezen te pakken en nam haastig afscheid van alle mensen. Mijn liftstertje en haar vriend waren nergens te bekennen, maar diverse broers, zussen, tantes, een vader, een moeder en die oma kwamen even hartelijk afscheid nemen als ze mij verwelkomd hadden. Ik had de Triumph net met een mooie trap aan het ronken gekregen, toen oma me nog snel een cakeje onder de jas frommelde. “Voor vannacht”, lispelde ze tegen mijn gehelmde oor.

Net buiten Nice zocht ik een tentje langs de weg op om met scherpe koffie mijn niet bestaande, maar zeer levendige herinneringen weg te spoelen. Wat zou Gerhard hiervan vinden? Vermoedelijk zou hij het als een bewijs zien voor de idee dat het leven toch zin heeft: het anderen zo nu en dan ook eens naar de zin maken. Tuurlijk, dat was het! Ik had een goede daad verricht! Met gemengde gevoelens en vertwijfeld hopend dat ik niet ineens tóch flitsen van de nachtelijke séance zou zien, vervolgde ik de tocht, richting La Spezia.