Home icon Home»Kollumns»Ollie Peilkens Serie 1»

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 4

Follow us on Twitter

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 4

Aflevering 4 – waarin Ollie iets kwijt moet

Wat we in onze jonge jaren deden, Peter, Jan, Gerhard en ik? Wat denk je zelf? Naar school gaan, vieze dingen denken over Annelies Belhoen (en proberen achter haar te gaan zitten), dromen over later en in de vrije tijd brommen en naar café Het Zadel trekken. O ja, en trekken, behalve Jan want die heeft altijd wel een meisje dat hem dit karwei uit handen neemt. Wat wij op onze leeftijd in een café te zoeken hadden? Wat denk je zelf? We schrijven de jaren zestig en toen mocht je vanaf je zesde al onder de tap hangen. Zolang je de boel maar niet onder kotste en betaalde. Onze ouders – voor zover nog present - kon het ook allemaal weinig schelen. Zolang je de boel maar niet onderkotste en zij niks hoefden te betalen. De wereld was nog simpel.

Karel_Hubert

Wat niet simpel was, was bedenken wat we ná de middelbare school gingen doen. Jan wilde de gesubsidieerde kunst in. Hij had ontdekt hoe simpel dat was. Als testje had hij een doek geheel zwart geschilderd met twee gele stippen erop, het werk “Citroën bij nacht” gedoopt en ingezonden voor een plaatselijke kunstprijs. Hij won. Gerhard wilde zo snel mogelijk het huis uit omdat zijn pa steeds gekker werd. Toen een klagende klant onder bedreiging met het jachtgeweer gedwongen werd een blikje Castrol 10W30 leeg te drinken, vond Gerhard het welletjes. “Die gek had wel remvloeistof kunnen nemen en dat is giftig!”, beschreef hij ietwat eigenaardig zijn angst. Gerhard wist nog niet precies wat hij na school zou gaan ondernemen, maar het had met fotografie en film te maken, dat was zeker. Geen landschappen natuurlijk, maar – ik citeer – hallucinerende fantasieën die in de tijd zijn stilgezet. Dat betekende dat hij een van Jans meisjes zover kreeg om bij 2 graden onder nul naakt op de vuilnisbelt te gaan staan, met een dode papegaai in de ene hand en een brandend waxinelichtje in de andere. Na een kwartiertje kritisch door de zoeker gekeken te hebben, meldde Gerhard het inmiddels blauw uitgeslagen kind: “Niet slecht! Morgen nog een keer en dan doe ik een rolletje film in de camera”. Een genie in wording.

En dan was er Peter. Over Peter moet ik iets kwijt. Ik vond hem een lulhannes, een praatjesmaker, een dropveter. Zeker, Peter was een vriend van me, maar de vriendschap floreerde alleen als hij niet in mijn buurt was. Was hij lijfelijk aanwezig, dan kreeg ik altijd weer een pesthekel aan dat arrogante hoofd met zijn als een rupsje op de bovenlip zetelende snorretje in wording. Ik kreeg roodvonk van zijn piepstem en de bof als hij daarmee het zoveelste flutgedicht voordroeg. Peter ging Nederlands studeren, zo deelde hij al jaren mede. Ik hoopte dat hij uitsluitend in Groningen toegelaten zou worden, dan waren we mooi van ‘m af. Konden we weer écht vrienden zijn. Vind je dat vreemd? Nou, ik ook, maar het was niet anders.
En dan was er de belangrijkste vraag van het tijdsgewricht: wat zou ik zelf gaan doen, na school? Ik twijfelde nog tussen auteur van rukboekjes, orthopedisch chirurg en motoragent, maar ook een studie psychologie of algebra leek mij wel wat. Bovendien vochten ook professioneel voetballer en hoofd ener school nog om aandacht, terwijl directeur van een meisjesschool, seksuoloog en hoofd van de zedenpolitie afgeserveerd waren, maar nog maar zeer recent. Ik wist het dus nog niet precies.

Wat ik wel wist, was dat ik na school zo snel mogelijk mijn motorrijbewijs zou gaan halen. Daar had ik altijd wat aan, wat mijn beroepskeuze ook zou worden. Bovendien had een motorfiets een breder zadel dan mijn Batavus Whippet dus een vriendin zou ik ook wel achterop weten te krijgen. Hoewel ik er vooral mee bezig was om er eindelijk eens eentje voorop te krijgen.