Home iconHome»Kollumns»Ollie Peilkens Serie 1»

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 1

Follow us on Twitter

Karel Hubert Presenteert: De avonturen van Ollie Peilkens - Deel 1

Mail van Karel Hubert. "ik heb het idee opgevat dat een column eigenlijk niet leuk genoeg is voor Oliepeil. En dus heb ik besloten een roman in 52 wekelijkse afleveringen te gaan schrijven; ‘de avonturen van Ollie Peilkens’. Een schelmenroman, vol vunzigheid en liederlijkheid. Bijgaand het openingshoofdstuk.

Aflevering 1 – waarin Ollie zichzelf presenteert.

Ik ben Olivier Peilkens. Dankzij mijn al op 4-jarige leeftijd corpulente voorkomen, noemden mijn slapstickminnende ouders me vanaf die tijd Ollie. Vanaf mijn eerste erectie noemde mijn buurmeisje me voortaan Hardy, maar dit terzijde. We hadden ook een Stan in huis, geen broodmager broertje met een domme gelaatsuitdrukking, maar een hyperactief kuthondje dat zelfs onder het eten lekker doorblafte. Wat is er nog meer over mijn jonge jaren te melden? Weinig of het moet zijn dat ik op mijn twaalfde al ingewijd werd in wat de geheimen van de liefde wordt genoemd.

Karel_Hubert

In mijn geval had het daar niks mee te maken. De lenige buurvrouw gaf me gewoon vijf gulden als ik er een likje aan gaf. In een tijd waarin ik elke dag moest afwassen om één gulden per week zakgeld te krijgen, vond ik de buurvrouw al snel mijlen aardiger dan mijn moeder. Ik ben met het bijklussen gestopt toen ik voldoende gespaard had voor een brommer.
En op die brommer ontdekte ik pas wie ik werkelijk was. Ik had al eerder leren sleutelen van een man die bij ons in de straat Batavus-dealer was. Meneer Stolk betaalde mij ook vijf gulden, maar daarvoor moest ik aanzienlijk meer doen dan bij de buurvrouw. Samen met hem wist ik mijn Batavus Whippet zo snel te maken dat er slechts twee ritten voor nodig waren om van mijn jeugdpuistjes af te komen. Ze woeien gewoon van mijn gelaat.

De Whippet was voorzien van twee knalpijpen en van een verend vlaggenmastje waaraan een vossenstaart hoorde te zwieren. Ik had geen idee van welk dier ik een stuk aan mijn spriet had bungelen, omdat ik niet wist waarvan de bontmuts van mijn tante Jo vervaardigd was. Ik had het ding van de kapstok gegapt toen de uit haar pumpjes puilende zus van mijn moeder weer eens hinderlijk op bezoek was. Met de schaar had ik het hoofddeksel tot twee lapjes getransformeerd: eentje voor de brommer, eentje als reserve. “Me hoed!”, loeide Jo toen ze wegging. “Waar is me hoed?” “U had helemaal geen hoed op toen ik u binnenliet”, loog ik scherp. “Echt niet? Ik wor steeds vergeetachtiger. Nou ja, dan zal-ie wel thuis liggen.” Daarmee was de kous voorlopig af en ik kon dezelfde dag trots aan mijn vrienden de echte vossenstaart presenteren. “” Tis een rat”, verklaarde vriend Peter. “Volgens mij is het een oude pantoffel”, wist Gerhard wiens vader een motorzaak én pantoffels had. “Het is een polijstschijf”, verkondigde Jan, even voorbijgaand aan het toch bekende feit dat een polijstschijf wit is, godsamme. Bovendien wist ik dat mijn tante Jo – hoe vreemd dat dikke wijf ook was (zo dronk ze steevast het juskommetje leeg) – niet met een polijstschijf, een pantoffel of een rat op haar bolle kop rondgelopen had. Ze gold als rijk genoeg om zich echt bont te kunnen veroorloven. Na mijn uitleg over de herkomst van de vossenstaart, was iedereen het erover eens dat het in elk geval iets van een beest was. “Zou nog een bunzing kunnen wezen”, meende Peter al wat vriendelijker. “Daar maken ze hele jassen van.”

Die Peter, Gerhard en Jan waren mijn vrienden, hoewel je op die leeftijd (16 en 17) nog geen idee hebt wat dat dan precies inhoudt, behalve dat je vieze gedachten deelt en vreselijk opschept over dingen die je niet gedaan hebt omdat je niet weet hoe je het zou moeten doen. Maar wij deelden ook de Heilige Brommerliefde, droomden van motorrijwielen en van de meisjes die we achterop zouden nemen. Op de motorfiets dan toch. Heb ik al gezegd dat je nog geen helm op hoefde, toen? Nee? Je hoefde geen helm op, toen. Maar wij vieren hadden wel al helmen, omdat we dat stoer vonden. Van het merk Römer en  mijn bij de omroep arbeidende paps had de acteur Piet Römer gevraagd of hij familie was van een helm. Die had iets enorm schunnigs geantwoord over een Duits helmpje waarmee hij alle actrices verwende, maar wat hij daarmee bedoelde, wist ik toen nog niet. Nu wel.